Een dag in mijn depressieve hoofd

Gepubliceerd op 17 juli 2026 om 12:04

Ik word wakker. Helaas.

Ik word wakker voordat de wekker gaat. Ik weet nieteens waarom ik een wekker zet, ik slaap toch nooit langer dan 4 uur. 

4.15

Alweer wakker terwijl ik nog geen 2 uur geleden in slaap viel.

Alweer wakker.

Niet omdat ik uitgerust ben.

Maar omdat mijn hoofd nooit echt slaapt.

Nog voordat mijn ogen open zijn, is hij er alweer.

Die stem.

"We moeten weer."

Mijn ogen gaan open. Het plafond staart terug. Ik probeer te bedenken hoe het voelt om ergens zin in te hebben. Ik weet dat ik dat ooit heb gekend. Vroeger. Toen de ochtend nog rook naar koffie en mogelijkheden. Nu ruikt hij naar overleven.

Mijn lichaam is zwaar. Alsof iemand vannacht beton in mijn aderen heeft gegoten. Alsof zwaartekracht voor mij harder werkt dan voor de rest van de wereld.

Mensen noemen het opstaan.

Voor mij is het losrukken van een lichaam dat niet meer mee wil.

Ik zit op de rand van mijn bed.

Tijd is een vreemd concept als elke seconde gevuld is met dezelfde gedachte.

"Waarom eigenlijk?"

Niet dramatisch.

Niet theatraal.

Gewoon...

Waarom?

Waarom opstaan?

Waarom douchen?

Waarom ontbijten?

Waarom nog een dag vullen als alles leeg voelt?

Ik sleep mezelf naar de badkamer.

In de spiegel staat iemand die op mij lijkt. Ik herken haar gezicht. Maar haar blik is leeg.

De ogen zijn ouder geworden zonder dat de jaren zijn verstreken.

Alsof elke slapeloze nacht zich ergens achter mijn pupillen heeft opgeslagen.

Ik glimlach even, om te kijken of ik het nog kan.

Het lukt, een vreemde geruststelling. Ik kan mijn masker nog opzetten. Blijkbaar werkt het masker nog.

Ik sleep mezelf naar de douche. Kleed mij uit. Ik haat dit lijf. Ik verafschuw het. Het voelt niet alsof het mijn lijf is. Als ik naar beneden kijk zie ik een vreemde. Al dat vet. Waar zijn de botten gebleven. Weg. In plaats van de vertrouwlijke botten zie ik hompen vet. Ik wil niet meer. 

Onder de douche voel ik het water. Warm. Nee heet. Te heet. Ik draai de kraan op koud. Ijskoud water gutst over mij heen. Het voelt fijn op een rare manier. De ijskoude stroom voelt een beetje alsof ik leef. 

Dan draai ik de douche uit. Ik heb er een uur onder gestaan. Het is 4.30. Wat als een uur voelde waren slechts een paar minuten. De tijd staat stil.

Ik pak een handdoek. Op automatische piloot droog ik mijn lijf. Make-up ben ik al lang geleden mee gestopt. Ik smeer deo op mijn oksels en trek een willekeurig T-shirt aan. Ik voel niets.

Ik vraag me af hoeveel dagen een mens kan bestaan zonder zich werkelijk levend te voelen.

Niemand leert je dat antwoord.

Ik loop naar de kamer en maak mijn standaard ontbijt. Niet nadenken, doen. ik brand mijn tong aan de hete koffie. Het boeit me niet. Ik voel het amper. Ik drink door. Voel de hete vloeistof door mijn slokdarm gaan. Het voelt raar vertrouwt. Ik wil niet meer. Ik wil kapot.

Buiten begint de wereld. Het is 6.00. De zon is op. De wereld begint. Ik heb nog 2,5 uur voor ik naar mijn werk moet. Dagbesteding. Werken kan ik al heel lang niet meer. Afgekeurd. Voor het leven. Ik ben gestoord. Blijvend gestoord. Blijvend afgekeurd. 

Auto's rijden over de parkeerplaats beneden. Karretjes krassen over het grint. Ooit vond ik dat een vreselijk geluid. Nu boeit het me niet meer. 

Kinderen lachen. Ik wilde kinderen. Ik ben onvruchtbaar. Ik voel een steek van verdriet.

Mensen haasten zich met koffiebekers in hun handen en plannen in hun hoofd.

Ik kijk ernaar alsof ik achter glas leef.

Alsof ik ooit onderdeel was van dezelfde soort, maar onderweg ben vergeten hoe het moet.

Ze noemen het leven.

Voor mij voelt het als toekijken. ik voel mij een buitenstaander. Een schim.

Als het dan eindelijk 8.00 is geworden, loop ik naar mijn fiets. Ik fiets naar mijn werk. Onderweg zie ik honderd manieren om het leven te stoppen. Voor een vrachtwagen gooien. Het kanaal in fietsen. De pijn stoppen. Maar het zijn schijngedachten. Ik zou het nooit echt doen. Nooit echt ongepland. Ik fiets naar mijn werk. 

Op mijn werk vragen mensen hoe het gaat. "Goed."  Monotoom. Het woord komt moeizaam uit mijn mond. Met een lege blik. Bemoedigende woorden van mijn colega's. Ik knik maar wat, hoor amper wat ze überhaupt zei. Het is weer 9.00 geworden. 

Hoe soepel een leugen kan worden als je hem iedere dag oefent. Elke dag gaat het "goed". 

Niemand ziet hoeveel energie dat ene woord kost.

Niemand ziet dat achter die glimlach een complete instorting schuilgaat.

Ik voer gesprekken.

Ik knik op de juiste momenten.

Ik lach wanneer dat sociaal gewenst is.

Ik speel de hoofdrol in een toneelstuk waarvan niemand weet dat het toneel is.

En ondertussen draait er een tweede gesprek.

Altijd.

In mijn hoofd.

"Ze vinden je irritant."

"Je zegt weer iets doms."

"Waarom praat je eigenlijk?"

"Zie je dat gezicht? Ze hebben spijt dat jij erbij bent."

"Iedereen doet alsof ze je aardig vinden."

Het zijn geen gedachten meer.

Het zijn feiten geworden.

Tenminste...

Zo voelen ze.

Een depressie liegt niet door hard te schreeuwen.

Ze liegt door fluisterend jouw eigen stem na te doen.

Tegen de middag ben ik op. ik ga naar huis. Ik werk tot 12 uur, omdat ik langer niet volhoud. Niet omdat ik hard heb gewerkt. Maar omdat doen alsof onvoorstelbaar veel energie kost.

ik faal. ik wil niet meer. 

Normale mensen worden moe van rennen.

Ik word moe van bestaan. ik wil niet meer.

Mijn telefoon trilt.

"Heb je zin om vanavond iets te doen?"

Ik lees het bericht. Nog een keer. En nog een keer.

Ik wil ja zeggen. Ik wil zo graag weer iemand zijn die ja zegt. Iemand die spontaan is. Die lacht zonder eerst toestemming te vragen aan zijn eigen hoofd.

Maar ik typ: "Sorry, ik ben moe."

Dat is makkelijker dan schrijven:

"Ik ben bang dat ik de hele avond alleen maar zal proberen eruit te zien alsof ik mezelf niet haat."

Dus ik blijf thuis.

De stilte is oorverdovend.

Ik pak mijn telefoon. Ik leg hem weer weg. Ik zet een serie aan.

Na twintig minuten besef ik dat ik geen idee heb waar ik naar kijk.

Mijn gedachten zijn harder dan het geluid van de televisie.

Ik open sociale media. Iedereen leeft. Iedereen reist. Iedereen trouwt. Iedereen krijgt kinderen. Iedereen koopt huizen.Iedereen rent marathons. Iedereen lijkt vooruit te gaan.

En ik?

ik schrijf stomme stukjes op een blog. Zeur tegen 5000 mensen hoe zwaar het leven is. Probeer een boodschap de wereld in te helpen. Dat mentale pijn ook ziekte is.

Weet je hoe vernederend dat voelt? ik wil niet meer.

Normale mensen voelen zich vermoeid door 8 uur werk, ik ben gesloopt na 3 uur.

Weet je hoe idioot dat voelt? ik wil niet meer.

Als de grootste overwinning van je dag iets is wat een ander doet zonder erbij na te denken?

Maar zelfs daar zegt mijn hoofd iets van.

"Stel je niet aan."

"Dat is toch normaal?"

"Iedereen doet dat."

Er bestaat geen overwinning die mijn depressie niet kleiner kan maken.

's Avonds wordt het donker.

Ik haat de nacht.

Niet vanwege de duisternis buiten.

Maar vanwege de duisternis die dan alle ruimte krijgt.

Overdag wordt mijn hoofd nog overstemd door stemmen, verkeer, afspraken.

's Nachts is er niets meer.

Alleen ik.

En dat is precies het probleem.

Ik lig in bed.

Het is pas 21.00

Mijn lichaam schreeuwt om slaap.

Mijn hoofd weigert.

Het opent laden van oud zeer. Het opent laden waarvan ik niet eens wist dat ze bestonden. Gesprekken die anders hadden moeten lopen. Gezichten van mensen die allang uit mijn leven verdwenen zijn. Alles komt terug. Alles tegelijk. ik wil niet meer. 

En steeds opnieuw dezelfde overtuiging.

"Je bent niet genoeg."

"Je bent te veel."

"Je bent een teleurstelling."

Hoe kan een mens tegelijkertijd voelen dat hij te veel ruimte inneemt én dat niemand hem zou missen als hij verdwijnt?

Depressie kan dat.

Ze spreekt in tegenstrijdigheden.

En toch klinkt alles geloofwaardig.

Ik draai me om.

De klok.

01.43.

02.58.

03.51.

De wereld slaapt.

Mijn hoofd houdt de wacht.

Ergens diep, onder alle lagen van uitputting, schuld, schaamte en leegte, ligt nog iets.

Heel klein.

Zo klein dat ik het soms bijna verlies.

Een vonkje.

Geen geluk.

Geen hoop.

Eerder... een herinnering aan hoop.

Alsof iemand ooit een kaars heeft aangestoken en de vlam bijna is opgebrand, maar nog net weigert uit te gaan.

Misschien is dat de reden dat ik morgen toch weer opsta.

Niet omdat ik geloof dat het beter wordt.

Maar omdat er ergens, diep onder het puin, een stemmetje leeft dat weigert volledig te zwijgen.

En misschien is dát wel de wreedste kant van een depressie.

Niet dat je niets meer voelt.

Maar dat je je oude zelf nog ergens kunt zien.

Alsof je verdrinkt terwijl je vanaf de bodem naar het wateroppervlak kijkt.

Je ziet het licht.

Je weet hoe het voelde om daar te zijn.

Je kunt het alleen niet meer bereiken.

En elke ochtend begint de verdrinking opnieuw. Elke dag is weer een strijd. En deze dag eindigt slechts 1,5 uur nadat de vorige stopte. Want slapen, dat kan ik niet. ik wil niet meer. Maar ik moet door.

Reactie plaatsen

Reacties

Elle Van Wijnen
11 dagen geleden

Dag Anna,
Ik volg je al lang. Reageer eigenlijk nooit. Nu wel . Diep onder de indruk. Ik zou je willen helpen. Ik hoop zo dat je herinnering aan een ‘vonkje’ de energie genereert die je nodig hebt. Of: wat zeg je tegen iemand die zo depressief is dat alles grijs is? Liefs

Jolanda van der Laan
11 dagen geleden

Lieve Anna,
Via social media volg ik je al een tijd. Je blog van vandaag grijpt me aan. Ook ik kamp met psychische klachten oa depressie. Je omschrijft ontzettend mooi hoe het in jouw hoofd gaat. Ik herken bepaalde dingen. Er komen ook weer tijden waarin je je hopelijk door dat vonkje iets beter mag voelen.
Lieve groeten

Maak jouw eigen website met JouwWeb